Die zonnige zaterdag klonk het half drie van klik klik. Twee fietsjes, van Ingrid en mij, op slot aan de rand van het plein. Klaar voor het langverwachte feest. Zie hem staan in zijn speciaal voor de gelegenheid aangeschafte kreukvrije, überhippe Boss-overhemd!

Hoe het kan, begrijp ik achteraf nog steeds niet. Niet helemaal, althans. Maar om vier was het het feest voorbij. Voor mij dan toch. Van tien tot nul in krap negentig minuten.

De Wilhelmina werd 50 en het was feest. Wij waterdragers hadden decennialang belangeloos geholpen om Miens ster tot hoog boven het Eindhovense firmament te verheffen. Wij voelden ons welkom en vereerd. Wij waren dorstig.

Met de tactiek van een brigadegeneraal hadden wij de hangtafel onder de luifel tussen de ingangen van de Mien en de Hendrik gekozen. Wij zouden het feestprogramma met volle teugen meemaken. Niks zouden we missen. ‘Wij’, dat waren voor deze gelegenheid hoofdgeitenbreier Peer, papjesgeitenbreiers Marco, Anton en Ingrid, en ik, de grote grijze geitenbreier, alias Der Tempomacher. En o ja: al het bier was gratis.

Ik vat het nog even samen: het was aangenaam weer, wij stonden koel in de schaduw, hadden een prima plek én dorst en al het bier was gratis. Mooi. Bueno.

Om half drie trap ik af met een Leffe Blond 6,6%; gratis, dus tripel zo lekker. Om kwart voor drie meldt mijn volgende Leffe Blond 6,6% zich paraat. Bij het arriveren van de verse is de eerste nog niet op. Even aanpoten.

Heb ik al gezegd dat het bier gratis was?

Om tien voor drie verschijnt Marco op het plein. Hé Marco, hiero! Die komt van ver, helemaal uit Helmond met de fiets, en heeft erge dorst. Daar moet worden gehandeld. Daar moet een rondje.

Shoot out voor de saloon. Net na drieën sta ik aan de hangtafel oog in oog met mijn de derde Leffe Blond 6,6%. Die staat uitdagend gepositioneerd tegenover nummer een en twee. Die zijn nog lang niet wat wij in caféjargon ‘op’ noemen. De sfeer wordt grimmig. Eastwood op de fluit, Van Cleef op de ocarina en Wallach als, als wat, het hele verdomde koor. Het chagrijnige trio brengt een ultimatum: aanhaken ouwe, of anders.

Ik zit nu, hier, op mijn top. Maar dat besef ik dan nog niet.

Rond half vier, een kwartet Leffe Blonds 6,6% is inmiddels soldaat, hapert voor het eerst mijn matrix een nanoseconde. Niet erg, en gelukkig is er versterking onderweg in de vorm van een volgende. Alles is nog steeds gratis en ik voel een plas. Daarvoor is het nodig dat je het smalle pijpje in de Hendrik naar achteren neemt. En wat is het nou helemaal, tien meter? Vooraan hopsa het treetje op. Een jonge god op zaterdagse draf.

Richter, die van het beven, geeft een seintje. Hij stelt dat categorie drie tot vier aanvoelt als: Licht. Rinkelende glazen. Wat raar, precies wat ik ook voel, gezoutem. Toch reden voor Der Tempomacher om het even rustig aan te doen. Calma calma, er moet nog de hele middag en avond gezopen worden. Alles op zijn tijd om tien over half vier.

Om vier moet ik weer, heel nodig nu. Mijn langzame genieten heeft niet helemaal heeft uitgepakt zoals ik wilde, en mijn benen en hoofd voelen als een tienrittenkaart Sjimmie. Gelukkig een zit-wc, geen pisbak. En ik zit nog niet goed en wel of daar is Richter er weer met een heads up: inmiddels is er categorie vijf tot zes: Krachtig. Zwak gebouwde huizen vertonen scheuren.

Het verrukkelijke alleen zijn op het toilet, het bloed ruisend in de oren, het hoofd in de kom van de handen, het duurt kort, veel te kort. Je kunt er de klok op gelijkzetten: daar wordt op de deur gebonsd: hallo, de tolman hier. Tuurlijk, die wil zijn centen. Niets in het leven is voor niets, en zelfs gratis Leffe Blonds 6,6% kennen een prijs. Die had ik moeten zien aankomen.

Terug op weg naar het terras is het inmiddels categorie tien. Het smalle pijpje in de Hendrik is een galjoen, stuurloos op de golven in het oog van de superstorm. Links de stuurhut, rechts de reling. En als ik de touwklossen vastgrijp om niet overboord te slaan donderen de glazen vroegtijdig heengegaan bier tegen de grond. Sorry, wil ik zeggen en meer dan sli komt er niet uit. De spieren in mijn lippen hebben er de brui aan gegeven. Mijn stembanden ondermijnen mijn tong.

Dan sta ik sta weer buiten, een opgezweepte tol die weg wil. Ingrid, oneindig begripvol, ziet het, volgt. Zwalkend, messcherp draaiend tussen het volk, een afgestofte reflex van, wat, misschien het discoschaatsen vroeger, bereik ik de koele gazons tussen de poenige appartementen aan de overzijde van de weg. Rust.

Vanaf hun balkons zijn de bewoners getuige van een unieke gebeurtenis, daar op hun gras. Daar wordt nog lang over gepraat. Daar leert Der Tempomacher hen een levensles die zij hun kinderen nog vaak zullen voorhouden.

Zij zien hoe een wankele homo sapiens zich als een Japanse Zero hongerig op het verlossende dek stort. Zij zien ook het lucide plasje braaksel dat naast het karkas verschijnt, een wonderlijk staaltje prisma dat aan elk staafje, elk kegeltje dat het zien wil alle kleuren van de regenboog openbaart. En midden in het plasje drijft een bruinrode, wat nog het meeste lijkt op een verse uilenbal; de restjes van de feestelijke bitterbal van zo-even.

Attenborough. ’t Zal ook eens niet. Heeft er lucht van gekregen, zich tot diep in de habitat van de homo sapiens gewaagd, en posteert zich nu vlak naast het mannetjesexemplaar. ‘Hier, op dit gazon’, hoor ik zijn serene BBC-commentaar, ‘zal het het komende anderhalf uur blijven liggen. Wij zijn getuige van een oeroude natuurwet: Earth giveth and Earth taketh.’

Ingrid is er klaar mee, tuurlijk is die er klaar mee. Genoeg ervan om aan elke passant uit te leggen dat ik ‘just drunk’ ben, en dat deze feniks ‘any minute now’ uit zijn as zal herrijzen. Taxi! Daar krijgen wij les in evolutieleer. De eerste taxi die ze aanhoudt, mannetje achter het stuur, bedankt wijselijk voor een ritje met dronken passagier. Een tweede, het wijfje, toont compassie. We mogen mee.

Met zwarteband meditatietechnieken, een zenmeester zou er jaloers op zijn, maakt mijn hoofd in de taxi korte metten met terugkerende stampij. Gelukkig is het ritje kort. Opvallend detail thuis, nét voor de coma inslaat: ik mag dan in de kreukels zitten, mijn Boss-overhemd vertoont geen vouwtje.

De volgende middag is het reprisetijd. Ingrid en ik besluiten tot een drankje op het plein: wat anders? Twee paracetamols, een lunch en een banaan voeren reparatiewerk uit, en de hoofdpijn is inmiddels weg gesausd. Hee, wie komen we daar op het plein tegen? Nena.

Gelijk heeft ze. Je kunt er een heel verhaal van maken, maar wat stelt het nou eigenlijk voor? ‘Je hebt gewoon te vroeg gepiekt, da’s alles’, zegt deze Mona, de nuchterheid zelve. Beter te vroeg pieken dan te laat, of erger nog: nooit. Te vroeg pieken op je 55ste. Rug recht, door.