Op de bouwplaats

Boulevard ZuidToen ik op de hoek van de Korianderstraat en de Heezerweg om de dronken fietsen stapte die daar innig omstrengeld de stoeptegels hadden gevonden, kon ik de naastgelegen modderplas niet meer ontwijken. Maar mijn modderschoen had ik aan mijzelf te wijten. Daar op die hoek wordt immers gewerkt aan vooruitgang, en binnen niet al te lange tijd zal in de bouwput Boulevard Zuid verrijzen. Je zou dus kunnen betogen dat het goedje geheel in zijn natuurlijke habitat legitiem mokka lag te wezen.

Pal voor de toekomstige ingang van het nieuwe winkelcentrum, waar de modderplas eigenlijk niet meer te bedwingen was, stonden, in zes groene rubberlaarzen, drie mannen. De onwerkelijk schone bouwtekening die in twee gehandschoende knuisten werd gehouden vormde een vreemd contrast met twee bouwlieden die druk met elkaar aan het gebaren en het wijzen waren, alsof het kruisje op de schatkaart die zij daar vasthielden eindelijk zijn geheim had prijsgegeven.

Een derde man, die gezien zijn leeftijd de vader van de twee had kunnen zijn, leek door de twee te worden geweerd uit het bunkertje dat zij met elkaar hadden gevormd. Met zijn handen in de zakken van zijn groene, met Schotse ruit afgezette duffelcoat had hij echter het hoogste woord. Terwijl droefgeestige ogen achter brillenglazen onophoudelijk van de een naar de ander flitsten, soms zelfs leken te smeken om door hem te worden opgemerkt, ratelde hij onophoudelijk door. Dat de twee bouwvakkers het werk van de dag bespraken leek mij klip en klaar. Maar wat die derde aan tafereel toevoegde werd mij niet duidelijk. Des te meer omdat een aggregaat dat een eindje verderop op het bouwterrein kabaal stond te maken ervoor zorgde dat zien maar vooral hóren je zomaar verging.

Terug van mijn boodschap bij de nabijgelegen winkel zag ik dat het aanvalsplan dat daar werd gesmeed nog steeds niet rond was. Mooi was wel dat iemand op de bouw eindelijk had besloten het aggregaat uit te schakelen, en ik dus mocht horen wat daar werd besproken. Het ging over het aanleggen van het elektries, mooi werk waar ik graag meer van zou willen weten omdat kennis van dergelijke zaken mij vermoedelijk veel meer van deze wereld zou maken. Mijn groene babbelaar praatte ook nog honderduit, zo zag ik aan de lippen en aan de onderkin die a-ritmisch meebengelde. Maar het vreemde was dat uit zijn mond nog steeds niets te horen viel. Pas toen ik hem passeerde leek de glazen stolp die zich over zijn wereld bevond te worden weggetrokken. Ik hoorde het toch heus goed toen zijn aandeel bleek: “Zeg eh, maar ik ben naar huis, het hondje moet eruit”, waarna hij zijn rubberlaarzen een voor een met een smakkend geluid uit de modder trok, een klapzoen voor beide mannen ten afscheid.

En na zijn aankondigde vertrek zag ik ze onder zijn zorgelijke wenkbrauwen nog steeds, de droeve ogen die zijn helden in de bouw smeekten om te worden gezien. Samen liepen wij even op langs de romige modderpoel. In een spastische beweging ging zijn mond nog steeds onophoudelijk heen en weer. Maar stil nu weer, zonder geluid, de leegte verbijtend die zijn afscheid van de bouw na zijn pensionering in zijn hart had achtergelaten en die nooit meer zou worden opgevuld.

Op de bouwplaats – Ronald Frencken, tekstschrijver Eindhoven

Neem contact met me op!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Volg Ronald Frencken

Ontvang nieuwe blogs direct in je inbox