Kooiaap

Het kleine beetje schoot dat resteerde tussen mij en mijn krampachtig omklemde stuurwiel, want het was druk die donderdag op de E34 richting Zaventem en vrachtwagens kwamen vaak akelig dichtbij, leek voldoende om het geluk te vangen dat mij die haastige herfstochtend werd toegeworpen.

“Gezocht: enthousiaste medewerkers met kooiaap-ervaring” las ik in koeien van letters op de achterkant van een mij uit de hemel toegezonden vrachtwagen die reed onder Nederlandse vlag en die mij rakelings passeerde.

Kooiaap! Hoe lang had ik dat woord niet gehoord. En hoeveel jaar was het niet geleden, kooiaap. Het moest in de zesde klas van de lagere school geweest, groepen kenden wij gelukkig nog niet; zat je in de zesde dan was je de hoogste in rang en had je op het schoolplein de meeste rechten – een gevoel dat met de komst van het laffe groepensysteem, waarbij leeftijd en aanzien op het schoolplein ineens veel minder een rol leken te spelen, didactisch resoluut de nek werd omgedraaid – dat ik als Tarzan in de nok van de gymzaal van touw naar touw slingerde en na het laatste touw gecontroleerd afsprong naar de mat die daar lag, ondertussen een dubbele salto met schroef producerend, allemaal in een poging mijn hardnekkige achtervolger zand in de ogen te strooien.

In gym was ik geen ster en later in dienst zou ik er op de stormbaan ook weinig kooiaap-waardigs van bakken omdat een hardnekkige hoogtevrees, die zich inmiddels in de kern van mijn zenuwbanen had genesteld, mijn ledematen keer op keer wist te verstijven. Maar kooiapen, dat kon ik! En nu was daar een Nederlands bedrijf dat zat te springen om ervaren kooiapers. Daar, op de E34 richting Brussel kreeg op mijn vijftigste – geen leeftijd meer voor persoonlijke kooiaap-records maar dat zijn slechts details – mijn leven eindelijk vorm.

Hoe het zat bij de meiden weet ik niet, maar wij jongens werden heus opgewonden als de gymleraar ons verraste met kooiaap. Bij willekeurig welke andere les waren wij, kinderen van de jaren 60 en 70 te dwars om aan te pakken. Dat had alles te maken met onze ouders die zich succesvol hadden weten te ontworstelen aan het nauwe korset van dankbaarheid waarin zij weer door hún ouders waren ingesnoerd, nog vanwege de bevrijder en de bescheidenheid die de oorlog hen had gebracht, een zwaarbevochten mentale overwinning die hen een soevereiniteit had opgeleverd die zij ook weer op hun kinderen, ons dus, hadden overgedragen, maar die wij op onze beurt in dwarsheid vertaalden.

Maar was ons een uur kooiaap in het vooruitzicht gesteld, dan was de gymzaal binnen enkele minuten in vereniging met touwen, ringen, bokken, matten (vrijhavens, zo was afgesproken), paarden, klimwanden, bruggen en netten omgetoverd tot arena van Romeinse proporties, en begon een spel waarbij de jongens en de meisjes, maar vooral de jongens want de meisjes waren binnen no time af, tot de dood streden om niet te worden afgetikt. De leraar zag intussen lijkbleek toe, hoopte, prevelde, bad dat zijn les zonder al teveel gespleten ledematen en onnodig bloedverlies zou aflopen.

Bij elke meter die wij verder naar de luchthaven afleggen krijgt mijn plan vaster vorm. Het uiteindelijke doel is om voor Nederland kooiaap-verantwoordelijk te worden. Eerst maar eens solliciteren. Dat zal trouwens nog best lastig worden want wij zijn net onderweg naar luchthaven Zaventem voor een heerlijk vakantieweekje Sevilla. De carrière die het lot mij die ochtend in de schoot werpt zal dus nog even moeten wachten.

In gedachten ben ik al bezig in mijn nieuwe baan. Ik zie mijzelf kooiaap nieuw leven inblazen. Varianten op kooiaap bedenken, kooiaap-parcoursen bedenken en kijk, daar maak ik al een uitstapje naar een nieuw op te zetten nationale kooiaap-competitie. Net als de gymnastiekbranche lijkt mij ook de kooiaap-branche behoudend van karakter, en om die in de vaart der volkeren mee te stuwen, daarvoor zal er bij het bestuur heel wat gemasseerd moeten worden. En er moet natuurlijk een kooi app komen, zo jubel ik overenthousiast op de feiten vooruit. Ho, wacht eens even: ‘kooiaap’, is dat niet automatisch ‘jaulamono’ in het Spaans?

Tijdens onze tussenstop op luchthaven Adolfo Suárez Madrid-Barajas, waar wij in vijf lange uren leren dat tijd een rekbaar begrip is, pols ik bij Starbucks Ingrid over mijn geplande levenskoers. Ik vertel haar over mijn nieuwe baan en de gouden bergen die daar voor de ervaren kooiaper hoogstwaarschijnlijk voor het opscheppen liggen.

“Kooiaap?”, geeuwt ze, een lichte desinteresse niet verhullend. En dan nog eens: “Kooiaap? Je bedoelt apenkooi. Een kooiaap is zo’n heftruckje dat achter op de vrachtwagen meegaat, voor het lossen. Wat wij op school deden was apenkooi. Waren wij veel beter in dan de jongens.”

Getuige van het schouwspel van drommen reizigers die op de luchthaven bokkige en meegaande cabinekoffertjes in alle kleuren en maten uitlaten, en blijkbaar niets bespeuren van die ene reiziger wiens toekomst toch weer niet helemaal loopt als verwacht, val ik stil. Wat ik ook doe is googelen. Naar kooiaap. Maar wat ik vooral doe is verlangen naar geborgenheid, naar een leven waarin de dingen eens wat vaker vaststaan, zoals ook de stoeltjes bij Starbucks vaststaan, en waarin kooiaap is wat ik denk dat het is, de geborgenheid die de typische Kreeft zo kenmerkt.

Neem contact met me op!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Volg Ronald Frencken

Ontvang nieuwe blogs direct in je inbox